Vanaf 10.000 euro gelden er plichten die er daaronder niet zijn: de klant identificeren, tien jaar bewaren, en melden bij een vermoeden. Elke regel hieronder komt uit de wettekst zelf — want op drie van de vier overheidspagina’s staat iets anders dan in hun eigen wet.
Twee bedragen, en ze hebben niets met elkaar te maken.
De antiwitwaswet raakt de handel in antiek en kunst op twee plekken, en die twee worden voortdurend door elkaar gehaald. 10.000 zegt of je onderworpen bent: vanaf daar moet je weten wie je klant is, en dat tien jaar kunnen tonen. 3.000 is iets heel anders — dat is de grens waarboven een bedrag niet meer contant betaald mag worden, en die geldt altijd, ook bij een stuk van 4.000 euro waarvoor je verder niets moet doen.
Deze pagina zet allebei die drempels naast elkaar voor België, Nederland, Frankrijk en het VK. Elke regel komt uit de wettekst zelf, niet uit een voorlichtingspagina — en dat bleek nodig, want die twee lopen uiteen. Wat je sowieso over elk stuk bijhoudt, staat op de stocklijst-pagina.
Zolang die twee door elkaar lopen, denk je dat een verkoop van 6.000 euro “onder de wet” valt. Dat klopt voor het ene en niet voor het andere.
Het getal is overal 10.000. De munt niet, en dat is nieuw sinds deze zomer.
“meer dan vijftig jaar oud” — art. 5, §1, 31°/1
kunstvoorwerpen, geen leeftijdseis — art. 1a, vierde lid, k Wwft
“égal ou supérieur” — art. L561-2, 10° CMF
pónd, niet euro — reg. 14 MLR 2017, gewijzigd 30-06-2026
Tot voor kort stond de Britse drempel in euro, ook in de Britse verordening. Dat is veranderd: regulation 14 van de Money Laundering Regulations 2017 draagt sinds 30 juni 2026 het bedrag £10.000, vervangen door The Money Laundering and Terrorist Financing (Amendment) Regulations 2026 (S.I. 2026/621), regs. 1(2) en 9.
De voorlichtingspagina van gov.uk, Money laundering supervision for art market participants, is voor het laatst bijgewerkt op 6 augustus 2024 en zegt nog altijd “10,000 euros or more”. Twee overheidsbronnen van hetzelfde land, twee bedragen — en de verordening wint.
Waarom dat praktisch uitmaakt: bij een koers rond 0,85 pond voor een euro is £10.000 ongeveer 11.800 euro. Een verkoop van 10.500 euro haalt de Britse drempel dus niet meer, terwijl hij die onder de oude tekst wel haalde. Reken in de munt die in de regel staat, niet in de munt van je kassa.
Deze grens heeft niets met de vorige te maken, ligt overal veel lager, en het verschil tussen België en Nederland zit in één woord.
art. 67, §2 — précies 3.000 mag dus nog
art. 1f Wwft — précies 3.000 mag dus niet
art. D112-3 CMF — 15.000 € voor een niet-inwoner
maar vanaf £10.000 cash: high value dealer
Vul de verkoop in en lees allebei de antwoorden: ben je onderworpen, en mag het contante deel contant. De munt volgt het land — het VK rekent in ponden.
Vier landen, vier wetteksten. Dit zijn de zinnen zelf, niet de samenvatting ervan.
“de natuurlijke personen of rechtspersonen die kopen, verkopen of optreden als tussenpersoon in de handel van kunstwerken of roerende goederen van meer dan vijftig jaar oud, wanneer de verkoopprijs van een of een geheel van deze werken of goederen gelijk is aan of hoger is dan 10 000 euro en die overeenkomstig het zevende lid van deze paragraaf ingeschreven zijn bij de Federale Overheidsdienst Economie, kmo, Middenstand en Energie”. En daarna, in dezelfde bepaling: “De tussenpersonen omvatten kunstgalerieën, veilinghuizen en organisatoren van beurzen en salons”.
“natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen die beroeps- of bedrijfsmatig handelen als koper of verkoper van kunstvoorwerpen, voor zover betaling van deze kunstvoorwerpen plaatsvindt voor een bedrag van € 10.000 of meer, ongeacht of de transactie plaatsvindt in een handeling of door middel van meer handelingen waartussen een verband bestaat”.
“Les personnes qui négocient des œuvres d’art et des antiquités ou agissent en qualité d’intermédiaires dans le commerce des œuvres d’art et d’antiquités, y compris lorsque celui-ci est réalisé par des galeries d’art, lorsque la valeur de la transaction ou d’une série de transactions liées est d’un montant égal ou supérieur à 10 000 euros”.
“a firm or sole practitioner who… by way of business trades in, or acts as an intermediary in the sale or purchase of, works of art and the value of the transaction, or a series of linked transactions, amounts to £10,000 or more”. Het pondbedrag is er ingezet door S.I. 2026/621 met ingang van 30 juni 2026.
Eén zin in de Belgische wet wordt bijna nergens aangehaald, en hij verandert de rekensom volledig voor wie met opbod verkoopt. Artikel 5, §1, 31°/1, derde lid:
“Wanneer de tussenpersoon een veilinghuis is, is de in het eerste lid bedoelde verkoopprijs de maximumschatting door het veilinghuis.”
De drempel wordt dus niet gemeten aan wat het stuk uiteindelijk opbrengt, maar aan de bovenkant van je eigen schatting — en die zet je zelf in de catalogus, wéken voor de zaal vol zit. Een lot geschat op 8.000–11.000 euro dat voor 6.500 euro wegggaat, zit in die bepaling dus wel degelijk boven de drempel.
Voor gespecialiseerde entrepots valt de prijs juist helemaal weg: 31°/2 noemt eigenaars en beheerders van entrepots “die specifiek een opslagdienst aanbieden voor kunstwerken of roerende goederen van meer dan vijftig jaar oud en alleen voor dergelijke goederen en werken” — zonder enig bedrag.
Vijf dingen, met telkens het artikel erbij.
De wet koppelt het onderworpen zijn er rechtstreeks aan: je valt onder 31°/1 als je boven de drempel handelt én ingeschreven bent. Het laatste lid van artikel 5, §1 zegt: “De Koning bepaalt welke de regels en voorwaarden zijn voor de inschrijving bij de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie”. In de praktijk loopt dat via een erkend ondernemingsloket, met een NACEBEL-code die bij je activiteit past.
“De onderworpen entiteiten identificeren en verifiëren de identiteit van de cliënten: 1° met wie ze zakelijke relaties aangaan; 2° die occasioneel, buiten een zakelijke relatie… één of meerdere verrichtingen uitvoeren waartussen een verband lijkt te bestaan, voor een bedrag van 10 000 euro of meer”.
Niet artikel 57, dat op verschillende plekken foutief wordt aangehaald. Artikel 60 vraagt de identificatiegegevens “tien jaar vanaf het einde van de zakelijke relatie met hun cliënt of vanaf de datum van een occasionele verrichting”, en de bewijsstukken van verrichtingen “tien jaar vanaf de uitvoering van de verrichting”.
“De onderworpen entiteiten melden aan de CFI, wanneer ze weten, vermoeden of redelijke gronden hebben om te vermoeden: 1° dat geldmiddelen, ongeacht het bedrag, verband houden met het witwassen van geld of de financiering van terrorisme”. De plicht geldt ook “wanneer de cliënt beslist de voorgenomen verrichting niet uit te voeren”.
De onderworpen entiteiten en hun personeelsleden “delen niet mee aan een betrokken cliënt noch aan derden dat informatie of inlichtingen, zijn, zullen worden of werden verstrekt aan de CFI”.
En de contantgrens, artikel 67, §2: “Onafhankelijk van het totale bedrag kan er geen enkele betaling of schenking in contanten worden verricht of ontvangen voor meer dan 3 000 euro of de tegenwaarde ervan in een andere munteenheid, in het kader van een verrichting of een geheel van verrichtingen waartussen een verband lijkt te bestaan.”
Op precies 3.000 euro lopen de twee landen uit elkaar, en het zit in twee woorden.
“…voor meer dan 3 000 euro”. Een contante betaling van exact 3.000 euro blijft dus toegelaten.
“Het is verboden… betaling van goederen in contanten voor een bedrag van € 3.000 of meer… te verrichten of te accepteren”. Exact 3.000 euro mag daar dus al niet meer.
Klein verschil, en toch is het net het bedrag dat mensen afronden. De rekenhulp hierboven houdt er rekening mee: vul 3000 in en wissel van land.
Wie een handleiding of blog van vóór dit jaar leest, vindt daar nog een objectieve meldgrens van 20.000 euro: elke transactie in onder meer voertuigen, kunstvoorwerpen, antiquiteiten, edelstenen of juwelen die geheel of gedeeltelijk contant betaald werd voor 20.000 euro of meer, moest gemeld worden — zonder dat je er iets bij hoefde te vinden.
Die indicator is geschrapt uit de bijlage bij het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018, door het besluit van 7 april 2026, Staatsblad 2026, 99, in werking op 30 april 2026. FIU-Nederland past hem nog toe op meldingen met een transactiedatum tot en met 31 december 2025. De reden is het verbod uit artikel 1f: een contante transactie van 20.000 euro kan niet meer wettig bestaan.
Wat er niet mee verdwenen is: de subjectieve indicator. Een transactie waarvan je reden hebt om aan te nemen dat ze met witwassen te maken heeft, blijft meldingsplichtig — contant of niet, en ongeacht het bedrag.
De plichten hierboven vragen om drie dingen per stuk: wat het kostte en wanneer, aan wie het verkocht is, en hoe er betaald werd. De eerste twee horen sowieso in je voorraadadministratie — zie wat er in je stocklijst moet staan. De derde is het enige dat er speciaal bij komt, en alleen boven de drempel.
Waar het fout gaat, is de koppeling. Tien jaar later moet je bij dit stuk nog kunnen tonen wie het kocht. Een verkoopbon in een doos en een stocklijst in een ander bestand halen die tien jaar zelden samen. Een factuur die aan het stuk zelf vasthangt wel.
“Het is maar 6.000 euro, dus de witwaswet geldt niet.” Voor de identificatieplicht klopt dat. Voor de contantgrens niet: daarvan mag hoogstens 3.000 euro in briefjes, en in Frankrijk 1.000.
Sinds 30 juni 2026 staat er £10.000 in regulation 14. De voorlichtingspagina van gov.uk zegt nog “euros”, maar de verordening telt.
Twee facturen van 6.000 euro voor hetzelfde ensemble zijn “verrichtingen waartussen een verband lijkt te bestaan”. Alle vier de teksten noemen die reeks met zoveel woorden.
Zeven jaar voor de boekhouding, tien jaar voor deze stukken (artikel 60). Wie alles samen na zeven jaar weggooit, gooit te vroeg weg.
Nagemeten op 15 september 2026, telkens in de wettekst zelf. België: de wet van 18 september 2017, artikelen 5 §1 31°/1 en 31°/2, 21, 47, 55, 60 en 67 §2, via de Justel-databank van het Belgisch Staatsblad. Nederland: de Wwft, artikelen 1a vierde lid onderdeel k en 1f, via wetten.overheid.nl, en het besluit in Staatsblad 2026, 99. Frankrijk: de Code monétaire et financier, artikelen L561-2 10° en D112-3, via Légifrance. VK: The Money Laundering, Terrorist Financing and Transfer of Funds (Information on the Payer) Regulations 2017, regulation 14, met de wijziging door S.I. 2026/621, via legislation.gov.uk.
Dit is uitleg over je administratie, geen juridisch advies. Of jouw zaak onderworpen is en wat dat precies vraagt, toets je bij je boekhouder of bij de toezichthouder zelf.
Vanaf 10.000 euro in Belgie, Nederland en Frankrijk, en vanaf 10.000 pond in het Verenigd Koninkrijk. Belgie legt er een tweede voorwaarde naast: artikel 5, paragraaf 1, 31 graden/1 van de wet van 18 september 2017 spreekt van kunstwerken of roerende goederen van MEER DAN vijftig jaar oud. Een stuk van 12.000 euro dat dertig jaar oud is, valt in Belgie dus buiten die bepaling en in de drie andere landen erbinnen. Het bedrag telt per transactie of per reeks verrichtingen waartussen een verband lijkt te bestaan: een verkoop opsplitsen helpt niet.
Niet meer. Dat stond tot voor kort zo in regulation 14 van de Money Laundering Regulations 2017, en de voorlichtingspagina van gov.uk zegt het nog altijd: 10.000 euros or more. Maar de verordening zelf is op 30 juni 2026 gewijzigd door S.I. 2026/621: er staat nu 10.000 pond. Wie met de euro-versie rekent, rekent sinds die datum met het verkeerde bedrag.
Nee, en dat is de verwarring die het vaakst misloopt. De 10.000 zegt of je onderworpen bent. De contantgrens staat daar volledig los van en ligt veel lager: artikel 67, paragraaf 2 van de Belgische wet verbiedt contant voor MEER DAN 3.000 euro, artikel 1f van de Nederlandse Wwft verbiedt contant vanaf 3.000 euro OF MEER, en artikel D112-3 van de Franse Code monetaire et financier houdt het op 1.000 euro voor wie daar fiscaal woont. Precies 3.000 euro mag in Belgie dus nog, en in Nederland niet meer. Het VK kent geen algemene bovengrens.
In Belgie tien jaar, en dat staat in artikel 60 van de wet van 18 september 2017 -- niet in artikel 57, dat op verschillende plekken foutief wordt aangehaald. De identificatiegegevens tien jaar vanaf het einde van de zakelijke relatie of vanaf de datum van een occasionele verrichting, en de bewijsstukken van verrichtingen tien jaar vanaf de uitvoering ervan. Dat is langer dan de zeven jaar van je boekhouding, dus zet ze niet op dezelfde stapel.
Dan meld je het, ongeacht het bedrag. Artikel 47, paragraaf 1, 1 graad gebruikt die woorden letterlijk: ongeacht het bedrag. De meldplicht hangt dus niet aan een drempel maar aan je vermoeden. In Belgie gaat de melding naar de CFI-CTIF, in Nederland naar FIU-Nederland, in Frankrijk naar Tracfin en in het VK naar de NCA. Artikel 55 verbiedt je bovendien om de betrokken klant te laten weten dat er informatie naar de CFI is gegaan.
Vintro Pro houdt bij elk stuk de aankoopprijs, de datum en de factuur bij. Tien jaar later staan ze nog samen — precies wat artikel 60 vraagt.
Gratis tot 10 stukken, zonder kaartnummer en zonder einddatum.